Summary
Dutch to French: more detail...
- schudden:
-
Wiktionary:
- schudde → dadais, cruche, couillon, cornichon, corniaud, benêt, niais, imbécile, gourde, niquedouille, nigaud, nicodème, beigne, sot, nunuche, nouille, cave, bozo, beignet, épais, cossin, concombre, coco, gniochon, guerlot, innocent, mongol, niochon, nono, noune, sans-dessein, nounoune, taon, sans-génie, thon, tarla, taouin, tata, tatais, tétais, timbré, tetais, zarzais, toton, toto
- schudden → secouer, agiter, débattre, troubler, émouvoir
- schudden → couper, secouer, faire tanguer, agiter, battre, mélanger
Dutch
Detailed Translations for schudde from Dutch to French
schudde form of schudden:
-
schudden (trillen; beven)
secouer; agiter-
secouer verb (secoue, secoues, secouons, secouez, secouent, secouais, secouait, secouions, secouiez, secouaient, secouai, secouas, secoua, secouâmes, secouâtes, secouèrent, secouerai, secoueras, secouera, secouerons, secouerez, secoueront)
-
agiter verb (agite, agites, agitons, agitez, agitent, agitais, agitait, agitions, agitiez, agitaient, agitai, agitas, agita, agitâmes, agitâtes, agitèrent, agiterai, agiteras, agitera, agiterons, agiterez, agiteront)
-
Conjugations for schudden:
o.t.t.
- schud
- schudt
- schudt
- schudden
- schudden
- schudden
o.v.t.
- schudde
- schudde
- schudde
- schudden
- schudden
- schudden
v.t.t.
- heb geschud
- hebt geschud
- heeft geschud
- hebben geschud
- hebben geschud
- hebben geschud
v.v.t.
- had geschud
- had geschud
- had geschud
- hadden geschud
- hadden geschud
- hadden geschud
o.t.t.t.
- zal schudden
- zult schudden
- zal schudden
- zullen schudden
- zullen schudden
- zullen schudden
o.v.t.t.
- zou schudden
- zou schudden
- zou schudden
- zouden schudden
- zouden schudden
- zouden schudden
en verder
- ben geschud
- bent geschud
- is geschud
- zijn geschud
- zijn geschud
- zijn geschud
diversen
- schud!
- schudt!
- geschud
- schuddend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze
Translation Matrix for schudden:
Verb | Related Translations | Other Translations |
agiter | beven; heen en weer bewegen; schudden; trillen | aan de zwerf zijn; afranselen; agiteren; beroeren; heen en weer zwaaien; iemand toetakelen; in beroering brengen; omroeren; op en neer bewegen; oppoken; opstoken; roeren; rondzwerven; slingeren; wriggelen; wrikken; zwaaien; zwenken; zwerven |
secouer | beven; heen en weer bewegen; schudden; trillen | afkloppen; afschudden; deinen; golven; heen en weer zwaaien; omschudden; opschudden; schommelen; slingeren; wiegen; wriggelen; wrikken; zich ontdoen van; zwaaien; zwenken |
Related Definitions for "schudden":
Wiktionary Translations for schudden:
schudden
Cross Translation:
verb
schudden
-
snel heen en weer bewegen om iets te mengen
- schudden → secouer
verb
Cross Translation:
From | To | Via |
---|---|---|
• schudden | → couper | ↔ cut — to divide a pack of playing cards |
• schudden | → secouer; faire tanguer | ↔ rock — cause to shake or sway violently |
• schudden | → secouer; agiter | ↔ shake — transitive: to cause to move |
• schudden | → battre; mélanger | ↔ shuffle — to put in a random order |
• schudden | → secouer | ↔ schütteln — (transitiv) einen Gegenstand oder eine Person schnell hin und her bewegen |
Wiktionary Translations for schudde:
Cross Translation:
From | To | Via |
---|---|---|
• schudde | → dadais; cruche; couillon; cornichon; corniaud; benêt; niais; imbécile; gourde; niquedouille; nigaud; nicodème; beigne; sot; nunuche; nouille; cave; bozo; beignet; épais; cossin; concombre; coco; gniochon; guerlot; innocent; mongol; niochon; nono; noune; sans-dessein; nounoune; taon; sans-génie; thon; tarla; taouin; tata; tatais; tétais; timbré; tetais; zarzais; toton; toto | ↔ Schote — salopp: törichter, einfältiger Mensch |